Hoe het vermogen zich stilletjes verschuift

Wie krijgt de vermogensberg?

Nederlandse huishoudens zijn op papier rijker dan ooit. Alleen groeit die berg vooral daar waar hij toch al hoog lag.

€ 2.754.000.000.000
totaal vermogen van alle huishoudens, 1 januari 2024
scroll
Het totaal

De berg

In achttien jaar werd de berg ruim twee keer zo hoog, en de sprint zat 'm in de laatste vijf jaar. Bezit je een huis, dan werd je op papier rijker dan ooit.

Op 1 januari 2024 bezaten de 8,3 miljoen Nederlandse huishoudens samen € 2.754 miljard aan bezittingen minus schulden. Ruim het dubbele van 2006, en de groei zit vrijwel volledig in de laatste jaren: sinds 2019 kwam er ruim duizend miljard euro bij (+62%), meer dan in de dertien jaar ervoor bij elkaar.

De weg omhoog liep allesbehalve recht. Tussen 2008 en 2013 verdampte er vermogen: de financiële crisis drukte de huizenprijzen, en daarmee het bezit van miljoenen huishoudens. Het dieptepunt lag in 2013. Daarna begon een klim die corona niet brak, maar juist aanwakkerde.

Totaal vermogen van Nederlandse huishoudens

Bezittingen minus schulden, miljarden euro's · 1 januari van elk jaar

Bron: CBS StatLine 83834NED. 2024 is een voorlopig cijfer. Bedragen nominaal (niet gecorrigeerd voor inflatie; daarover later meer).
Het vermogen

De stenen en de bv's

Alleen is die winst vooral de prijs van je eigen huis: rijkdom waar je niet bij kunt zonder te verkopen, en wie verkoopt, koopt terug in diezelfde dure markt. Het echte feest zit ergens anders: in de bv's.

Maak je voor alle Nederlanders samen de balans op, dan staat er € 2.754 miljard aan vermogen: € 3.770 miljard aan bezittingen, minus ruim € 1.000 miljard aan schuld. Aan de bezittingenkant is de eigen woning veruit de grootste post: € 2.181 miljard, 58% van alle bezittingen. Daarna komt, verrassend groot, het aanmerkelijk belang: aandelenpakketten van 5% of meer in een bv, samen € 563 miljard. Spaargeld, beleggingen en de rest vullen aan tot ruim een kwart.

En de schulden? De schuldenberg is voor 80% hypotheek. Vooral voor de stenen dus. Die hypotheekschuld groeide sinds corona met 13%; de woningwaarde steeg intussen met 51%. Per saldo is Nederland zich razendsnel aan het ont-hefbomen: de schulden zakten van 41% van de bezittingen (2013) naar 27% begin 2024. Goed nieuws, als je een huis hebt.

Waar het vermogen zit, en wat ertegenover staat

Bezittingen (boven de nullijn) en schulden (onder), alle huishoudens, miljarden euro's

Bron: CBS 83834NED. "Overige bezittingen" = bank- en spaartegoeden, beursbeleggingen, overig onroerend goed en overige bezittingen. "Overige schuld" = alle schuld behalve de eigenwoninghypotheek (incl. studieschuld).

Kijk je goed naar de grafiek, dan zie je toch een addertje onder het gras. Die 2.181 miljard aan woningwaarde bestaat grotendeels uit dezelfde huizen die er in 2006 ook al stonden: we bouwden er 17% bij, maar de prijs per woning steeg met ruim 80%. De bewoners van die stenen werden op papier fors rijker, alleen valt dat vermogen niet vrij te maken zonder het eigen huis te verkopen. En wie verkoopt, koopt terug in diezelfde dure markt. Het is welvaart die je niet kunt uitgeven; onder de streep ging de huizenbezitter er niet op vooruit.

Nog iets valt op: waar het aanmerkelijk belang in 2006 nog 9% van de bezittingen was, is het inmiddels uitgegroeid tot 15%. En dat in een tijd waarin de woningwaarde explodeerde. Die groei ging dus nog harder dan die op de huizenmarkt. Feest in B.V. Nederland.

58%
van alle bezittingen is de eigen woning
€ 563 mld
aan aanmerkelijk belang, vrijwel volledig in handen van de vermogenstop van Nederland
41% → 27%
schulden als deel van de bezittingen, 2013 → 2024
Verdieping: waar kwam die prijsstijging op de huizenmarkt vandaan? de rente hoor je het vaakst, maar dat is niet het hele verhaal

Het standaardantwoord is de hypotheekrente: die zakte van 5,4% (2008) naar 1,7% (2021), dus iedereen kon meer lenen en de prijzen volgden braaf. Dat argument valt na te rekenen met drie ruwe reeksen: de cao-lonen, de rente op nieuwe hypotheken en de prijsindex van bestaande koopwoningen. Samen geven lonen en rente de leencapaciteit: hoeveel hypotheek dezelfde maandlast in elk jaar koopt.

Was de rente het hele verhaal, dan zouden beide lijnen hieronder gelijk op moeten lopen. Dat doen ze niet.

Prijsindex versus leencapaciteit

Beide geïndexeerd op 2006 = 100 · leencapaciteit = cao-loonindex gedeeld door de annuïteitsfactor (30 jaar) bij de hypotheekrente van dat jaar

Bronnen: CBS 82838/85663NED (cao-lonen), ECB MIR (rente nieuwe hypotheekcontracten NL), CBS 85773NED (prijsindex bestaande koopwoningen). Eigen berekening; de index houdt de woonquote constant en negeert wijzigingen in leennormen.

Drie periodes vertellen het echte verhaal. In 2009–2013 steeg de leencapaciteit terwijl de prijzen 16% daalden: angst en strengere banken drukten de markt tot 28% onder wat mensen konden lenen. Vanaf 2017 gebeurde precies het omgekeerde: de prijzen groeiden vrijwel elk jaar harder dan de leencapaciteit. Daar meldt zich een tweede laag kopers, die niet leent maar afrekent met vermogen: overwaarde uit de vorige woning, schenkingen van de ouders, beleggers met eigen geld.

De scherpste test kwam in 2022–2023: de rentesprong sloeg 17% van de leencapaciteit af, maar van piek tot dal dipten de prijzen slechts 6%, om meteen te herstellen. Een markt die puur op leencapaciteit draait, kan dat kunstje niet. In 2024 liggen de prijzen 11% boven wat rente en lonen historisch dragen; alleen in 2008, op de top van de vorige hausse, was die spanning groter. Het precieze percentage hangt af van het gekozen basisjaar (2006), de beweging van de laatste drie jaar niet: leencapaciteit min 12%, prijzen plus 20%. Dat gat komt ergens anders vandaan: schaarste, vermogen en de wetenschap dat verkopers niet hoeven te zakken. De rente doet mee; het vermogen jaagt aan.

Race naar de top

Wie is het snelst boven?

De woning lijkt de motor van de berg, maar de bv won de race. En de groei landde vooral bij wie toch al bezat: bezit groeide omhoog, schuld groeide opzij.

We zetten elke grote vermogensvorm in 2006 op 100 en kijken wie het hardst loopt.
Het aanmerkelijk belang wint met straatlengtes: ×3,6. Ook verhuurpanden en tweede woningen ("overig onroerend goed") gingen hard. De hypotheekschuld sukkelde er juist achteraan: +66% in achttien jaar, veel minder dan de woningen die ermee gekocht zijn.

De groeirace: totaalbedrag per vermogensvorm, 2006 = 100

Alle huishoudens samen · nominale bedragen, geïndexeerd

Bron: CBS 83834NED. Weggelaten voor de leesbaarheid: ondernemingsvermogen (×3,1), de kleine restpost overige bezittingen (×2,9), en studieschuld plus overige schuld (samen € 208 mld in 2024).

En helemaal onderaan bungelt de échte verrassing: de beursbeleggingen. Terwijl vrijwel alles op de balans verdubbelde of verdrievoudigde, kwam het privé-belegde vermogen amper van zijn plek: van € 150 miljard in 2006 naar € 173 miljard begin 2024, en pas in 2021 kroop het na de kredietcrisis terug boven het startniveau. En dat is nog nominaal gerekend: haal de inflatie eruit (+52% sinds 2006) en het is geen stilstand maar krimp, bijna een kwart koopkracht verdampt. Niet dat er niemand meer belegt, integendeel: er kwamen juist honderdduizenden beleggers bij, alleen met kleine bedragen, zoals hieronder te zien is. Het grote beleggen gebeurt ergens anders: in de bv, en telt in deze grafiek mee als aanmerkelijk belang.

Maar wie kreeg die groei? Twee kanten kan het op. Er komen huishoudens bij die íets bezitten, of de zittende bezitters krijgen meer. Hieronder staan de vier vermogensvormen op precies die twee assen: naar rechts kwamen er mensen bij, omhoog kwam er geld per huishouden bij.

Wie kreeg de groei van de afgelopen vijf jaar?

Groei 2019 → 2024 · beide assen in procenten, op exact dezelfde schaal

Elke stip is een vermogensvorm; het gekleurde vlak laat zien hoe ver hij opzij (mensen) en omhoog (geld) groeide.

Bron: CBS 83834NED, eigen berekening. Groei van het totaalbedrag ≈ groei aantal huishoudens × groei bedrag per huishouden. "Bedrag per huishouden" is het gemiddelde over de huishoudens die het bestanddeel bezitten. De sprong bij overige schuld valt deels samen met de registratie van belasting- en toeslagschulden na de coronaregelingen (2022–2023).

De woning groeide vrijwel alleen omhoog: er kwamen maar 169.000 woningbezitters bij (terwijl Nederland met 432.000 huishoudens groeide), maar per bezitter kwam er bijna de helft bij. Het aanmerkelijk belang is de enige die stevig in beide richtingen groeide: 84.000 bv-huishoudens erbij en ruim een vijfde meer vermogen per lid. Al zegt dat gemiddelde weinig: de mediane bv-eigenaar heeft er € 198.000 in zitten, het gemiddelde ligt op ruim € 1,1 miljoen, en 71% van al het bv-vermogen zit bij de top-1%-huishoudens; de nieuwkomers drukken dat gemiddelde eerder dan dat ze het verklaren. De beursbeleggingen (in de statistiek "effecten": losse aandelen, obligaties en fondsen, los van de eigen bv) groeiden juist vooral opzij, met ruim 400.000 nieuwe beleggers en kleine bedragen. Net als de schuld: 1,4 miljoen huishoudens erbij met een schuld buiten hypotheek en studielening. Bezit groeide omhoog; schuld groeide opzij.

De vermogensontwikkeling

Met centen klim je sneller

Ook mét een huis word je ingehaald: in procenten groeiden top en midden even hard, maar in euro's loopt de top steeds verder weg. De statistiek beweert zelfs dat de ongelijkheid daalt. Die daling is jouw eigen papieren woningwinst.

Gemiddeld vermogen per huishouden

× € 1.000, per 1 januari

Het gemiddelde

Het gemiddelde huishouden werd op papier twee keer zo rijk: van € 163.000 in 2006 naar € 334.000 begin 2024.

Alleen bestaat "het gemiddelde huishouden" niet.

Verdeel Nederland

Zet alle huishoudens op een rij, van arm naar rijk. De onderste 30% heeft samen meer schuld dan bezit, vooral dankzij de armste 10% (gemiddeld € 45.000 onder nul). Individueel staat een op de acht huishoudens in de min. De brede middengroep bezit gemiddeld € 250.000, grotendeels het eigen huis. En de top-10%? Die begint pas echt te tellen.

En dan: de top 1%

Voeg de top 1% toe (zo'n 83.000 huishoudens) en de grafiek moet vier keer zo hoog. Gemiddeld vermogen: € 8 miljoen. De rest wordt tegen de vloer gedrukt.

Zie hier waarom je over vermogen nooit in gemiddelden moet praten.

De kloof

Kijk naar de afstand tussen de top 1% en de middengroep: van € 3,6 miljoen in 2006 naar € 7,8 miljoen begin 2024. In procenten groeiden beide even hard, maar wie elk jaar miljoenen voorligt, loopt in euro's onherroepelijk weg.

5% rendement op € 8 miljoen is meer dan een modaal huishouden in tien jaar bij elkaar spaart.

Nog tien jaar zo door

Trek de lijnen door met voor iedereen exact hetzelfde tempo: 4,3% per jaar, het gemiddelde van 2006–2024. Niemand wordt voorgetrokken (alleen de onderste 30% houden we vlak: procentuele groei op een negatief vermogen zegt niets). Toch krijgt de top 1% er zo € 4,2 miljoen bij, de middengroep € 131.000: de top ziet zijn vermogen in euro's ruim 3.100% harder groeien, 32 keer zoveel.

Gelijke groei is nog geen gelijkheid: wie al 32 keer zoveel heeft, krijgt er bij hetzelfde tempo ook 32 keer zoveel bij. De kloof loopt op naar € 11,9 miljoen; wie achterligt, haalt bij gelijke procenten nooit meer in.

Eerlijk meten: inflatie

Corrigeer voor inflatie (+52% sinds 2006) en de kloof groeide geen ×2,1 maar ×1,4. Die spectaculaire sprongen sinds corona waren voor een flink deel gewoon geldontwaarding.

En toch: ook in de koopkracht van 2024 is de kloof groter dan in elk jaar tot en met 2019. Ook reëel groeit hij door, naar € 9,4 miljoen in 2034, als de kloof zijn eigen tempo van 1,9% per jaar volhoudt.

De officiële maatstaven bevestigen dat dubbele beeld. De relatieve ongelijkheid, het deel van het totale vermogen dat bij de top zit, piekte in 2013–2014, toen hypotheken die onder water stonden de onderkant onder nul drukten. Daarna zakte ze, doordat de huizenprijsstijging juist het midden omhoogtilde.

Het aandeel van de top in het totale vermogen

Percentage van het totale huishoudvermogen · CBS-ongelijkheidsstatistiek, vanaf 2011

Bron: CBS StatLine 84476NED; de stippellijnen volgen het CBS-begrip "vermogen exclusief eigen woning" (vermogen zonder de eigen woning, het hoofdverblijf, en de daarop rustende hypotheekschuld; tweede woningen en beleggingspanden tellen mee) en zijn berekend uit CBS 83834NED en de top-1%-samenstellingsreeks. De groepsindeling blijft op totaalvermogen. De Gini-coëfficiënt van het totale vermogen daalde in dezelfde periode van 0,82 (2013) naar 0,73 (2024).

Alleen is die daling een papieren werkelijkheid. Ze leunt volledig op de waardestijging van de eigen woning: bezit dat het midden niet kan uitgeven zonder het huis te verkopen. Haal de eigen woning eruit (de stippellijnen) en de daling verdampt: van al het vermogen buiten de eigen woning bezit de top-10% al veertien jaar rond de 78%, en het aandeel van de top-1% werd er eerder groter dan kleiner op. En dat is geen kunstje van de meetperiode: ook in 2006-2010, voor een reeksbreuk in de statistiek, lag het aandeel van de top-10% al boven de 70%. Verder terug bestaat die uitsplitsing niet; hoe de top-10% het sinds 1993 deed in het totale vermogen, lees je in de verdieping onderaan dit hoofdstuk. Alleen het dak boven het eigen hoofd gaat eruit; verhuurpanden en tweede woningen tellen gewoon mee.

En wat het midden wél heeft, is amper te gebruiken. Haal de eigen woning uit het vermogen en kijk wat er overblijft. Voor de helft van Nederland: bijna niets. De mediaan van het vermogen buiten de eigen woning kroop in achttien jaar van € 13.400 naar € 23.000. Reken dat om naar wat het echt koopt, een huis, en er is niets gegroeid.

Hoeveel huis koopt het mediane vermogen?

Mediaan vermogen gedeeld door de gemiddelde verkoopprijs van een koopwoning in dat jaar

Bron: CBS 83834NED + 83625NED (gemiddelde verkoopprijs: € 236.000 in 2006 → € 451.000 in 2024). De onderste lijn is de mediaan van het vermogen exclusief de eigen woning, gemeten over alle huishoudens; wie werkelijk geen huis bezit, zit daar doorgaans nog ruim onder. De deler is de gemiddelde transactieprijs van verkochte woningen; met een kwaliteitsconstante prijsindex is de daling van de onderste lijn ongeveer half zo groot, de richting blijft gelijk.
Verdieping: hoe zat het vroeger eigenlijk? drie generaties statistiek, één beeld: de top-10% bezit al dertig jaar ruim de helft; en de eeuw ervoor: een lange daling die rond 1980 stopte

De vermogensstatistiek is sinds de jaren negentig twee keer opnieuw opgezet, met andere bronnen en definities. De niveaus van de drie generaties zijn daardoor niet precies vergelijkbaar (waar ze overlappen zie je het verschil), maar het beeld is telkens hetzelfde: het aandeel van de rijkste 10% in het totale vermogen lag in geen enkel gemeten jaar sinds 1993 onder de 55%. De uitschieter is de eurocrisis: die raakte de midden- en lage vermogens veel harder dan de top (dalende huizenprijzen, hypotheken onder water), waardoor het aandeel van de top-10% opliep naar 71%. Herstelden de huizenprijzen, dan groeide het midden weer mee en zakte het aandeel terug. De daling van de laatste tien jaar is dus een terugkeer naar het oude normaal, geen nieuwe gelijkheid.

De lange lijn: het aandeel van de top-10% sinds 1993

Percentage van het totale huishoudvermogen · drie generaties vermogensstatistiek

Bronnen: CBS 37860gvh (1993-2000, maat "vermogensaandeel", hoogste 10%-groep), CBS 80048ned (2002-2011, tot de methodewijziging van die reeks), CBS 84476NED (2011-2024) en eigen berekening 2006-2010 uit CBS 83834NED. In 2001 is er geen statistiek (belastingherziening 2001). Elke generatie meet net anders; de overlap 2006-2011 toont het definitieverschil.

Verder terug houdt de CBS-statistiek op, maar er is wél een historische reconstructie uit belastingaangiften, van 1894 tot 2019. Die meet een lange U-bocht. Rond 1900 bezat de top-1% zo'n 55% van al het private vermogen; vanaf de Eerste Wereldoorlog ging dat zestig jaar lang per saldo omlaag, tot zo'n 15% in de jaren zeventig; en sinds de jaren tachtig meet de reconstructie weer een stijging, naar ruim 35% in 2015. Een oudere reconstructie uit dezelfde belastingbron komt voor 1974 op 28% uit: het niveau hangt sterk af van de methode, de richting niet. Meng die cijfers vooral niet met de reeksen hierboven, want het is een andere methode, zonder pensioen, en juist aan de top onzeker. Maar om de richting kun je niet heen: zestig jaar werd de verdeling per saldo gelijker, en ergens rond 1980 hield dat op.

Wáárdoor het ophield, valt niet te bewijzen, maar de spelregels veranderden intussen wel mee. Inkomsten uit vermogen werden tot 2001 progressief belast (het toptarief was in 1960 70,5% en eind jaren tachtig nog 72%), al bleven koerswinsten toen onbelast; sindsdien is het vlak, over een verondersteld rendement. De jaarlijkse vermogensbelasting verdween in datzelfde jaar. De winstbelasting voor bedrijven zakte van 47% (tot 1984) naar inmiddels 25,8%. En de spaarrente, begin jaren tachtig nog ruim 6%, kwam in 2020-2022 op nul uit. Tussen 1980 en ruwweg 2010 draaide zo ongeveer elke knop dezelfde kant op: bezit houden werd goedkoper, en de beloning voor sparen uit loon verdween. De laatste jaren draaien er knoppen terug, het box 3-tarief ging van 30% naar 36%, de hypotheekrenteaftrek is afgebouwd en de spaarrente staat weer op zo'n 1,3%, maar dat is na dertig jaar waarin de vermogens al waren uitgelopen.

Tegelijk werd de instap duurder. Een gemiddelde koopwoning kostte in 1995 bijna € 94.000 (destijds ruim 206.000 gulden, hier omgerekend naar euro's) en in 2024 € 451.000: maal 4,8, terwijl de cao-lonen maal ruim 2 gingen. Hetzelfde huis kost in uren loon dus ruim twee keer zoveel. Huishoudens vingen dat lang op met het tweede inkomen, dat vanaf de jaren negentig (eerst gedeeltelijk) mocht meetellen voor de hypotheek. En de generaties die vóór de prijsexplosie kochten, staan er in 2024 het hoogst op: de mediane vermogenspiek lag in 2006 bij huishoudens van 55 tot 65 jaar, in 2024 bij 65 tot 75, en de mediaan van 75 tot 85 is sinds 2011 bijna verviervoudigd, terwijl die onder de 25 al jaren rond nul blijft hangen. De berg komt maar mondjesmaat naar beneden: in 2023 werd € 33,6 miljard nagelaten (voorlopig cijfer; gemiddelde nalatenschap € 199.000, mediaan € 45.000), in euro's ruim twee keer zoveel als in 2007, maar al die tijd tussen de 1,1 en 1,4 procent van het totale vermogen. De schenkingen piekten twee keer: in 2013-2014, toen de jubelton tijdelijk werd ingevoerd, en in 2022, net voordat hij werd afgebouwd.

Je zou de vlakke lijn van de laatste dertig jaar ook als geruststelling kunnen lezen: blijkbaar was het altijd al zo. Maar deze grafiek zegt alleen dat het gemeten aandeel niet stijgt, niet dat de ongelijkheid zelf stilstaat. En de lijn toont alleen de verdeling, niet de som waarover die verdeling gaat; die som werd sinds 2006 bijna tweeënhalf keer zo groot. Wat dat verschil betekent, lees je in het slot.

Opwaartse stroming

Waar komt het vermogen van de top vandaan?

De top werd niet rijk van het eigen woonhuis, maar van bedrijven, soms bedrijven vol huizen. En volg je het geld, dan lopen er vier stromen van het midden naar boven: de huur, de huizenprijs, de rente en de inflatie.

Wie wil weten waar het topvermogen vandaan komt, moet eerst zien waar het in zit. De bezittingen van de top-1% bestaan voor amper 12% uit de eigen woning; ruim de helft is aanmerkelijk belang: de bv. De top is geen huizenverhaal maar een bedrijvenverhaal.

Al bezitten die bedrijven zélf wel degelijk stenen: ruim 400.000 huurwoningen, samen in de orde van € 110 tot 130 miljard aan woningwaarde, grofweg een vijfde tot hooguit een kwart van de totale bv-waarde. Het huizenverhaal en het bedrijvenverhaal zijn aan de top dus geen gescheiden werelden: de top werd niet rijk van het eigen woonhuis, wél deels van dat van een ander.

En het gedrag past erbij. Sinds 2019 loste de top hypotheken af, terwijl de overige schulden er met een kwart bij kregen: lenen om te beleggen, niet om te wonen. Stel, je geeft een miljoen per jaar uit en er komt elk jaar een miljoen bij. Wat doe je met dat tweede miljoen: opmaken, of herbeleggen? Vermogen dat niet op raakt, groeit vanzelf door.

De balans van een top-1%-huishouden

Gemiddelde bezittingen (boven) en schulden (onder), × € 1.000 per huishouden

Bron: CBS-vermogensstatistiek (visualisatie bij StatLine 83834NED). Aanmerkelijk belang is gewaardeerd op fiscale boekwaarde; de werkelijke marktwaarde ligt vermoedelijk hoger. De jaartotalen zijn gevalideerd tegen StatLine 84476NED; de uitsplitsing naar bestanddelen is alleen via deze bron beschikbaar.

Sinds 2019 kwam er ruim duizend miljard euro bij; daarvan landde bijna de helft (€ 479 miljard) bij de top-10%, een tiende van de huishoudens. Die aanwas moet ergens vandaan komen. Waar precies, valt niet hard na te rekenen; wél zijn er vier geldstromen aan te wijzen, en ze lopen allemaal dezelfde kant op.

De huur. Nederland telt bijna 1,2 miljoen private huurwoningen, waarvan ruim 400.000 in handen van bv's en nv's. Wie huurt, maakt elke maand een deel van zijn inkomen over aan een bezitter. De woning zelf stijgt ondertussen gewoon in waarde, alleen op andermans balans.

De huizenprijs. Wie in 2024 een huis koopt, betaalt zo'n 11% meer dan lonen en hypotheekrente historisch dragen; hoe we dat meten, lees je in de verdieping over de huizenprijzen eerder in dit verhaal. Dat gat wordt gevuld met spaargeld, schenkingen en extra schuld van de koper, en het komt terecht bij wie verkoopt of al bezit.

De rente. Ruim vier miljoen huishoudens torsen een schuld buiten hypotheek en studielening: consumptief krediet, roodstand, belastingschuld, samen € 179 miljard. De rente daarover stroomt van de schuldenaars naar de bezitters van dat schuldpapier.

De inflatie. In vijf jaar stegen de prijzen 23%; wie spaarde, raakte zo geruisloos bijna een vijfde aan koopkracht kwijt, over € 444 miljard aan bank- en spaartegoeden. Wie bezit, zag zijn stenen, aandelen en bv's netjes in prijs meestijgen.

Vier stromen, één richting: van wie betaalt naar wie bezit. Of ze samen die duizend miljard verklaren, valt met deze cijfers niet te bewijzen, en dat beweren we ook niet. Maar tel ze bij elkaar op, en je snapt waarom de berg juist bovenaan het hardst groeit. Die rekensom maak je zelf.

Verdieping: komt het geld van de top misschien van de overheid? in Nederland niet, de staat werd zelf rijker; elders is die vraag urgenter

Het populaire verhaal wil dat de staat leegloopt richting de rijken: oplopende schulden, rente die naar vermogenden vloeit. In Nederland gebeurde sinds corona het omgekeerde. De staatsschuld steeg in euro's, maar de economie (en de inflatie) groeide harder: de schuldquote zakte van 47,7% naar 44% van het bbp, en het netto vermogen van de overheid (alles wat de staat bezit minus alles wat ze schuldig is) klom van € 255 naar € 400 miljard. Eerlijk is eerlijk: een begrotingsprestatie is het niet. De boeken toonden in 2020–2024 opgeteld ruim € 60 miljard tekort; de winst zit in de herwaardering. De bezittingen van de staat werden meer waard, vooral de wegen, waterwerken en gebouwen, die op de balans tegen actuele bouwprijzen staan en dus met de gestegen bouwkosten meestegen. En de uitstaande staatsobligaties werden door de rentesprong en inflatie juist minder waard: inflatie als stille belasting, maar dan andersom, want de staat won waar de obligatiehouders verloren. Ook de overheid is dus vooral een stenenbezitter, en ook haar winst is grotendeels papier: een dijk of snelweg verkoop je niet.

De Nederlandse staat: schuld en vermogen

Links: EMU-schuld als percentage van het bbp. Rechts: netto vermogen van de overheid, miljarden euro's.

Bron: CBS StatLine 85968NED (schuldquote) en 84422NED (overheidsbalans). Crisisjaren 2008–2013: bankenreddingen en tekorten; sinds 2021 herstel door inflatie en groei.

Ook de route via de rente loopt in Nederland dood: huishoudens bezitten 0,3% van de eigen staatsschuld. De rest ligt bij het buitenland (44%), banken inclusief DNB (37%, deels een erfenis van het ECB-opkoopbeleid) en verzekeraars en pensioenfondsen (16%), dat laatste het collectieve spaargeld van gewone werknemers. En de rentestroom stelt weinig voor: € 7,9 miljard in 2024, zo'n 1,6% over de schuld.

Buiten Nederland ligt dat anders. Frankrijk hield vrijwel de volledige corona-schuldsprong vast en zit op 113% van het bbp, Italië op 135% en het Verenigd Koninkrijk rond de 100%. Daar is de vraag wie de rente op die schuldberg opstrijkt een stuk urgenter.

Overheidsschuld in Europa

Geconsolideerde brutoschuld als percentage van het bbp

Bron: Eurostat (gov_10dd_edpt1). Eurostat dissemineert sinds Brexit geen VK-cijfers meer (het VK publiceert zelf via de ONS). De Nederlandse lijn (43,8% in 2024) wijkt marginaal af van het CBS-cijfer hierboven (44,0%) door een andere bbp-raming.
Slot

De balans

Wie krijgt de vermogensberg? Wie er al hoog op staat. Een huis geeft je een plek op de berg, maar wie bovenin zit, klimt in euro's steeds verder weg. En bij dit tempo is ook de volgende duizend miljard al verdeeld, naar rato van bezit: ruim de helft voor de top-10%.

De optelsom: de waardestijging van de woningen landde bij wie al een huis had, ruim de helft van de topvermogens zit in bv's, en van het vermogen buiten de eigen woning bezit de top-10% al veertien jaar rond de 78%. Gelijke groeipercentages doen de rest: wie 32 keer zoveel heeft, krijgt er bij hetzelfde tempo ook 32 keer zoveel bij.

Wie zelf een zaak heeft, zal tegenwerpen: die bv-waarde is óók maar papier, ik kan mijn aandelen niet zomaar te gelde maken. Dat klopt, en toch is het geen woningwinst. Een bv keert rendement uit wanneer het de eigenaar uitkomt. En achter die waarde zit vaak gewoon belegd vermogen, van effectenportefeuilles tot ruim vierhonderdduizend huurwoningen. De overwaarde van een huis doet geen van beide: ze keert niets uit, en wie haar verzilvert, koopt terug in diezelfde dure markt.

Een tweede tegenwerping is ouder: was het vroeger dan niet net zo? Voor de gemeten verdeling klopt dat, de top-10% bezit al ruim dertig jaar de helft. Maar drie dingen zijn wél veranderd. De berg werd veel groter, van € 1.146 miljard in 2006 naar € 2.754 miljard in 2024, en een vast aandeel van een steeds grotere som betekent elk jaar meer afstand in euro's. De groei zat vooral in de waardestijging van wat er al stond, huizen en bv's, en die stijging landt nu eenmaal bij wie al bezit. En een eigen huis, voor de meeste huishoudens de enige manier om zelf vermogen op te bouwen, kost inmiddels zo'n 11% meer dan lonen en hypotheekrente historisch dragen. De verdeling is oud nieuws. Nieuw is dat je plek op de berg steeds minder afhangt van wat je verdient, en steeds meer van wat je al bezit.

En alles wat hier staat is eerder onder- dan overschat. De statistiek waardeert bv's op fiscale boekwaarde, telt pensioenvermogen niet mee, en de allerrijksten verdwijnen binnen de top-0,1% uit beeld. Juist waar het om de top gaat, is de meetlat het zwakst. Reken maar dat de berg nog schever ligt dan je hier ziet.

Verantwoording

  • Aanleiding. Deze analyse begon als toets van de these van de Britse oud-trader Gary Stevenson (de ongelijkheid groeit onhoudbaar; de top koopt alles op, het midden en de overheid teren in). Zijn claims zijn stuk voor stuk tegen de Nederlandse cijfers gelegd; de uitkomsten zijn in dit verhaal verwerkt.
  • Vermogensbegrip. CBS meet bezittingen minus schulden per 1 januari, exclusief opgebouwd pensioen- en aow-vermogen. Met pensioen zou vooral het midden er vermogender uitzien.
  • Aanmerkelijk belang is gewaardeerd op fiscale boekwaarde; de marktwaarde van bv-vermogen ligt vermoedelijk hoger. De top wordt dus eerder onder- dan overschat.
  • 2024 is voorlopig; op meerdere reeksen (top-1%, reële kloof) was 2023 het piekjaar. Reeksbreuk: vanaf 2011 neemt het CBS kleine bank- en spaartegoeden, beursbeleggingen en meer schuldsoorten vollediger waar; medianen en aantallen huishoudens met schuld zijn voor en na 2011 niet volledig vergelijkbaar; de groei van de leeftijdsmedianen in de verdieping over vroeger is daarom vanaf 2011 gerekend.
  • Historische reconstructie (vóór 1993). De cijfers over de periode 1894-1993 komen uit reconstructies op basis van vermogensbelastingaangiften (De Vicq, Toussaint, Van der Valk en Moatsos in ESB, 2022; Wilterdink, 1984). Andere methode en populatie dan de CBS-reeksen en zonder pensioenvermogen: de niveaus zijn niet vergelijkbaar met de rest van dit verhaal, de richting wel. Het laatst gepubliceerde niveau van de moderne reeks is dat van 2015.
  • Belastingtarieven. Toptarieven inkomstenbelasting uit CPB, "Meer over de top" (70,5% in 1960; 72% eind jaren tachtig; Oort 1990 naar 60%; 2001 naar 52%); vermogensbelasting en box 3 uit de bijlage bij de box 3-herziening (2015); het vpb-verloop (47% tot 1984, 35% vanaf 1989, 25,8% sinds 2022) herleidt tot Staatsblad 1975/580, 1988/458 en 2006/631; actuele tarieven: Belastingdienst.
  • Nalatenschappen en schenkingen (CBS 84242NED en 84465NED): de nalatenschapscijfers tot en met 2016 zijn niet geheel vergelijkbaar met latere jaren (andere aanlevering van brongegevens) en 2023 is voorlopig; de schenkingenstatistiek telt alleen schenkingen waarvoor aangifte is gedaan.
  • Projectie 2025–2034 is een gedachte-experiment, geen voorspelling: alle groepen groeien uniform met 4,3% per jaar (het samengestelde tempo van 2006–2024), en de reële kloof vervolgt haar eigen historische tempo van 1,9% per jaar; elke stippellijn gebruikt dus dezelfde methode en eenheid als zijn dichte lijn. De onderste 30% (als groep een negatief vermogen) is vlak gehouden, omdat procentuele groei daar niet betekenisvol is.
  • Vastgoed in bv's is een bruto-ordegrootte: 407.000 huurwoningen van bv's en nv's maal de gemiddelde WOZ-waarde van private huurwoningen (CBS 86286NED en 85036NED). Gerekend is met de gemiddelde WOZ van private huurwoningen (€ 324.000, ruim onder die van koopwoningen); bruto komt dat op € 132 miljard. Omdat de WOZ-mix van bv-bezit binnen de private huur onbekend is en vermoedelijk onder het gemiddelde ligt, hanteren we een bandbreedte van € 110 tot 130 miljard. Niet al die vennootschappen zijn aanmerkelijk belang van Nederlandse huishoudens, tegenover het vastgoed staat schuld in de bv, en de fiscale boekwaardering dempt hoe woningprijsstijgingen doorwerken in de gemeten AB-reeks.
  • Inflatiecorrectie op basis van de CPI (cumulatief +52% over 2006–2024, +23% over 2019–2024).

Bronnen: CBS 83834NED (vermogens naar kenmerk en bestanddeel) · CBS 83835NED (huishoudens naar vermogensklasse) · CBS 37860gvh (vermogensaandelen 1993-2000) · CBS 80048ned (vermogens 2002-2011, oude reeks) · CBS 84476NED (ongelijkheid, top-aandelen, Gini) · CBS 85968NED (overheidsfinanciën) · CBS 84422NED (overheidsbalans) · CBS 84119NED (houders staatsschuld) · CBS 83131NED (CPI) · CBS 83625NED (verkoopprijzen koopwoningen) · CBS 85773NED (prijsindex koopwoningen) · CBS 82235NED (woningvoorraad) · CBS 82900/86286NED (woningvoorraad naar eigendom) · CBS 85036NED (WOZ-waarde naar eigendom) · CBS 82838/85663NED (cao-lonen) · CBS 84242NED (nalatenschappen) · CBS 84465NED (schenkingen) · De Vicq e.a., ESB (2022) (reconstructie vermogensongelijkheid 1894-2019) · Wilterdink (1984) (vermogensverhoudingen 1894-1974) · Bijlage A herziening box 3 (2015) (vermogensbelasting, spaarrente) · Kosten Koper (2013) (hypotheekverruiming) · CPB, Meer over de top (toptarieven inkomstenbelasting) · Belastingdienst (actuele tarieven vpb en box 3) · ECB MIR-statistiek (rente nieuwe hypotheekcontracten en spaarrente huishoudens, Nederland) · Eurostat gov_10dd_edpt1 (schuldquotes EU).

Geschreven door Michel van der Smissen · Alle cijfers herleidbaar tot openbare bronnen
Bij het maken van deze analyse is AI gebruikt