Hoe het vermogen zich stilletjes verschuift

Wie krijgt de vermogensberg?

Nederlandse huishoudens zijn op papier rijker dan ooit. Maar die berg groeit vooral waar hij toch al hoog lag.

€ 2.754.000.000.000
totaal vermogen van alle huishoudens, 1 januari 2024
scroll
Het totaal

De berg

In achttien jaar werd de berg ruim twee keer zo hoog. En de sprint zat in de laatste vijf jaar. Heb je een huis, dan werd je op papier rijker dan ooit.

Op 1 januari 2024 bezaten de 8,3 miljoen huishoudens samen € 2.754 miljard: alles wat ze hebben minus wat ze schuldig zijn. Ruim het dubbele van 2006. In de grafiek hieronder klimt die berg gestaag, en tegen het eind schiet hij omhoog.

Het gros van die groei is van de laatste jaren: sinds 2019 kwam er ruim duizend miljard euro bij. Meer dan in de dertien jaar daarvoor bij elkaar.

De weg omhoog liep niet rechtop. Tussen 2008 en 2013 verdampte er vermogen: de crisis drukte de huizenprijzen, en daarmee het bezit van miljoenen huishoudens. Het dieptepunt lag in 2013; daarna kwam een klim die corona niet brak maar juist aanwakkerde.

Gemiddeld werd je twee keer zo rijk. Maar geldt dat voor iedereen?

Totaal vermogen van Nederlandse huishoudens

Bezittingen minus schulden, miljarden euro's · 1 januari van elk jaar

Bron: CBS StatLine 83834NED. 2024 is een voorlopig cijfer. Bedragen nominaal (niet gecorrigeerd voor inflatie; daarover later meer).
De rekensom

Zijn we nu allemaal rijk?

Op papier lijkt het zo. Maar het gemiddelde is bedrieglijk. Veel mensen zijn helemaal niet rijk: wie huurt, of net met een hoge hypotheek kocht, heeft weinig tot niets. En wie wél vermogen heeft, groeide in procenten bijna even hard als de rest. In euro's niet.

Wie op een grote stapel zit, krijgt van datzelfde percentage veel meer euro's dan wie op een kleine zit. En die stapel groeide vooral in twee dingen die je bezit, niet verdient: je huis en je bedrijf.

Waar zit die berg in? Wie kreeg de groei? En waar komt het geld van de top vandaan?

Het bezit

De stenen en de bv's

De berg zit in twee dingen. In stenen, en in bv's. De stenen zijn van bijna iedereen. De bv's van bijna niemand.

Tel je alle Nederlanders bij elkaar op, dan staat er € 3.770 miljard aan bezittingen. Ruim € 1.000 miljard schuld gaat eraf, en de berg meet € 2.754 miljard.

De grootste post is de eigen woning, goed voor 58% van alles wat we samen bezitten. Daarna komt, verrassend groot, het aanmerkelijk belang: een belang van 5% of meer in een bv, kortweg je eigen bedrijf of beleggings-bv. Samen € 563 miljard, en dat zit bij een heel kleine groep.

Waar het vermogen zit, en wat ertegenover staat

Bezittingen (boven de nullijn) en schulden (onder), alle huishoudens, miljarden euro's

Bron: CBS 83834NED. "Overige bezittingen" = bank- en spaartegoeden, beursbeleggingen, overig onroerend goed en overige bezittingen. "Overige schuld" = alle schuld behalve de eigenwoninghypotheek (incl. studieschuld).

Alleen is die woningwinst papier. Het zijn grotendeels dezelfde huizen die er in 2006 ook al stonden; we bouwden er 17% bij, de prijs steeg per woning ruim 80%. Je wordt er op papier rijk van, maar eraan komen kan niet zonder te verkopen. En wie verkoopt, koopt terug in dezelfde dure markt.

De schuld eronder kromp juist, als aandeel van het bezit: van 41% in 2013 naar 27% nu. De schuld daalde dus sneller dan de woningwaarde omhoogging. Mooi, voor wie al bezat.

En het aanmerkelijk belang? Dat groeide nog harder dan de huizen: van 9% naar 15% van de bezittingen. Feest in bv-Nederland.

58%
van alle bezittingen is de eigen woning
€ 563 mld
aan aanmerkelijk belang, vrijwel volledig in handen van de vermogenstop van Nederland
41% → 27%
schulden als deel van de bezittingen, 2013 → 2024
Verdieping: waar kwam die prijsstijging op de huizenmarkt vandaan? de rente hoor je het vaakst, maar dat is niet het hele verhaal

Het standaardantwoord is de rente. Die zakte van 5,4% in 2008 naar 1,7% in 2021, dus kon iedereen meer lenen en volgden de prijzen braaf. Netjes, maar niet het hele verhaal.

Reken het na met drie ruwe reeksen: de cao-lonen, de rente op nieuwe hypotheken en de prijs van bestaande koopwoningen. Lonen en rente samen geven de leencapaciteit: hoeveel hypotheek dezelfde maandlast in een bepaald jaar koopt. Was de rente het hele verhaal, dan zouden prijs en leencapaciteit gelijk oplopen. Dat doen ze niet.

Prijsindex versus leencapaciteit

Beide geïndexeerd op 2006 = 100 · leencapaciteit = cao-loonindex gedeeld door de annuïteitsfactor (30 jaar) bij de hypotheekrente van dat jaar

Bronnen: CBS 82838/85663NED (cao-lonen), ECB MIR (rente nieuwe hypotheekcontracten NL), CBS 85773NED (prijsindex bestaande koopwoningen). Eigen berekening; de index houdt de woonquote constant en negeert wijzigingen in leennormen.

Drie periodes vertellen het echte verhaal. Tussen 2009 en 2013 steeg de leencapaciteit, maar zakten de prijzen met 16%: tot 28% onder wat mensen konden lenen. Angst en strengere banken duwden de markt ver onder die grens.

Vanaf 2017 keerde het om: de prijzen groeiden vrijwel elk jaar harder dan de leencapaciteit. Daar meldt zich een tweede laag kopers. Die leent niet, maar rekent af met vermogen: overwaarde uit de vorige woning, een schenking van de ouders, beleggers met eigen geld.

Toen sprong in 2022 en 2023 de rente omhoog, van 1,7% naar 3,8%, en konden kopers 17% minder lenen. Was de prijs een som van wat je kunt lenen, dan hoorde die flink te dalen. Van piek tot dal zakte hij 6%, en daarna ging het gewoon weer omhoog.

Zo staan de prijzen in 2024 zo'n 11% boven wat lonen en rente historisch dragen. Alleen in 2008 was dat gat groter, en toen volgden vijf jaar van dalingen.

De beweging van de laatste drie jaar laat het dus zien: de leencapaciteit zakte 12%, de prijzen stegen 20%. De rente doet mee. Het vermogen jaagt aan.

De race

Wie is het snelst boven?

Het huis lijkt de motor van de berg. Maar de bv won de race. En de groei landde bij wie al bovenaan stond.

Zet je elke grote vermogensvorm in 2006 op honderd, en laat ze racen. Het aanmerkelijk belang, je eigen bedrijf of beleggings-bv, wint met straatlengtes: ×3,6. Verhuurpanden en tweede woningen renden mee. De hypotheekschuld sukkelde er juist achteraan: +66% in achttien jaar, minder dan de huizen die ermee gekocht zijn.

De groeirace: totaalbedrag per vermogensvorm, 2006 = 100

Alle huishoudens samen · nominale bedragen, geïndexeerd

Bron: CBS 83834NED. Weggelaten voor de leesbaarheid: ondernemingsvermogen (×3,1), de kleine restpost overige bezittingen (×2,9), en studieschuld plus overige schuld (samen € 208 mld in 2024).

En onderaan bungelt de verrassing: de beursbeleggingen, met ×1,2. Terwijl vrijwel alles op de balans verdubbelde of verdrievoudigde, kwam het privé-belegde geld amper van zijn plek. Van € 150 miljard in 2006 naar € 173 miljard achttien jaar later.

En dat is nog nominaal gerekend. Haal de inflatie eruit, en van stilstand wordt het krimp: bijna een kwart koopkracht verdampt. Niet dat er niemand meer belegt. Het grote beleggen gebeurt alleen ergens anders, in de bv, en telt hier mee als aanmerkelijk belang.

Maar wie kreeg die groei? De laatste vijf jaar kon het twee kanten op. Er komen huishoudens bij die iets bezitten, of de zittende bezitters krijgen meer. Naar rechts kwamen er mensen bij, omhoog kwam er geld per huishouden bij.

Wie kreeg de groei van de afgelopen vijf jaar?

Groei 2019 → 2024 · beide assen in procenten, op exact dezelfde schaal

Elke stip is een vermogensvorm; het gekleurde vlak laat zien hoe ver hij opzij (mensen) en omhoog (geld) groeide.

Bron: CBS 83834NED, eigen berekening. Groei van het totaalbedrag ≈ groei aantal huishoudens × groei bedrag per huishouden. "Bedrag per huishouden" is het gemiddelde over de huishoudens die het bestanddeel bezitten. De sprong bij overige schuld valt deels samen met de registratie van belasting- en toeslagschulden na de coronaregelingen (2022–2023).

De woning groeide vrijwel alleen omhoog. Er kwamen 169.000 woningbezitters bij, terwijl Nederland met 432.000 huishoudens groeide. Maar per bezitter kwam er bijna de helft bij.

Het aanmerkelijk belang groeide als enige stevig in beide richtingen. Er kwamen 84.000 bv-huishoudens bij, en per lid ook ruim een vijfde meer.

Al zegt dat gemiddelde weinig. De helft van de bv-eigenaren zit onder € 198.000; gemiddeld is het ruim € 1,1 miljoen. Dat gat komt doordat 71% van al dat bv-vermogen bij de top-1% zit.

De beursbeleggingen groeiden juist vooral opzij: ruim 400.000 nieuwe beleggers met kleine bedragen. Net als de schuld: 1,4 miljoen huishoudens erbij, buiten hypotheek en studielening. Deels toeslag- en belastingschulden, die pas na corona werden geregistreerd. Het bedrag per huishouden bewoog nauwelijks.

Bezit groeide omhoog; schuld groeide opzij.

De afstand

Met centen klim je sneller

Ook mét een huis word je ingehaald. In procenten groeiden top en midden even hard. In euro's loopt de top steeds verder weg.

Gemiddeld vermogen per huishouden

× € 1.000, per 1 januari

Het gemiddelde

Op papier verdubbelde het gemiddelde huishouden: van € 163.000 in 2006 naar € 334.000 begin 2024.

Dat gemiddelde huishouden bestaat alleen niet.

Verdeel Nederland

Zet iedereen op een rij, van arm naar rijk. De onderste 30% heeft samen meer schuld dan bezit, met de armste 10% gemiddeld € 45.000 onder nul; individueel staat één op de acht huishoudens in de min. De middengroep komt op zo'n € 250.000, grotendeels het eigen huis. En de top-10% begint dan pas echt te tellen.

En dan: de top 1%

Voeg de top 1% toe, zo'n 83.000 huishoudens, en de grafiek schiet omhoog. Hun gemiddelde vermogen: € 8 miljoen. De rest wordt er optisch tegen de vloer gedrukt.

Zó praat je over vermogen dus nooit in gemiddelden.

De kloof

Kijk naar de afstand tussen de top 1% en de middengroep: van € 3,6 miljoen in 2006 naar € 7,8 miljoen begin 2024. Zelfde groeipercentage, maar de top legt er miljoenen bij en het midden tonnen.

5% rendement op € 8 miljoen is meer dan een modaal huishouden in tien jaar bij elkaar spaart.

Nog tien jaar zo door

Trek de lijnen door met voor iedereen precies hetzelfde tempo, 4,3% per jaar. Geen voorspelling, gewoon een gedachte-experiment. Toch krijgt de top 1% er € 4,2 miljoen bij en de middengroep € 131.000: 32 keer zoveel.

Gelijke groei is nog geen gelijkheid. Wie al 32 keer zoveel heeft, krijgt er bij hetzelfde tempo ook 32 keer zoveel bij. De kloof loopt op naar € 11,9 miljoen.

Eerlijk meten: inflatie

Corrigeer voor inflatie, +52% sinds 2006, en de kloof groeide geen ×2,1 maar ×1,4. Veel van die sprong sinds corona was gewoon geldontwaarding.

En toch: ook in de koopkracht van 2024 is de kloof groter dan in elk jaar tot en met 2019. Reëel groeit hij door naar € 9,4 miljoen in 2034.

De ongelijkheid

Een daling op papier

De officiële cijfers zeggen dat het beter gaat. De ongelijkheid daalt sinds 2014. Alleen weet je inmiddels waar die daling vandaan komt: de waarde van je eigen huis.

En op papier klopt die daling. Het aandeel van de top, het deel van de hele berg dat bij de rijksten ligt, piekte in 2013 en 2014. Toen stonden veel hypotheken onder water, en dat drukte de onderkant onder nul. Daarna zakte het aandeel weer, doordat de stijgende huizenprijzen juist het midden omhoogtilden.

Het aandeel van de top in het totale vermogen

Percentage van het totale huishoudvermogen · CBS-ongelijkheidsstatistiek, vanaf 2011

Bron: CBS StatLine 84476NED; de stippellijnen volgen het CBS-begrip "vermogen exclusief eigen woning" (vermogen zonder de eigen woning, het hoofdverblijf, en de daarop rustende hypotheekschuld; tweede woningen en beleggingspanden tellen mee) en zijn berekend uit CBS 83834NED en de top-1%-samenstellingsreeks. De groepsindeling blijft op totaalvermogen. De Gini-coëfficiënt (één rapportcijfer voor ongelijkheid: 0 is gelijk, 1 is alles bij één) daalde in dezelfde periode van 0,82 (2013) naar 0,73 (2024).

Die daling is alleen een papieren werkelijkheid. Ze leunt volledig op de waarde van je eigen huis, bezit dat het midden niet kan uitgeven zonder te verkopen. Haal die woning eruit, dus je vermogen zonder je eigen woonhuis en de hypotheek daarop, en de daling verdampt. Van dat vermogen bezit de top-10% al veertien jaar rond de 78%.

Het aandeel van de top-1% werd er zelfs eerder groter dan kleiner op. En het is geen kunstje van de meetperiode: ook tussen 2006 en 2010, vóór een breuk in de statistiek, zat de top-10% er al boven de 70%. Alleen het dak boven je eigen hoofd gaat eruit; verhuurpanden en tweede woningen tellen gewoon mee.

Streep je eigen huis eens weg, en kijk naar wat er overblijft: je spaargeld, je beleggingen, alles behalve de stenen waarin je woont. Voor de helft van Nederland is dat bijna niets, en het staat zo goed als stil. In euro's kroop die mediaan in achttien jaar van € 13.400 naar € 23.000. Klinkt als groei. Maar meet het in huizen, want die werden fors duurder, en het smelt weg tot een schamel stukje dat al achttien jaar niet beweegt. En dat terwijl de top gewoon bleef doorgroeien.

Hoeveel huis koopt het mediane vermogen?

Hoeveel van een gemiddelde koopwoning je van dat vermogen kunt kopen. 1,0 is een heel huis.

Bron: CBS 83834NED + 83625NED (gemiddelde verkoopprijs: € 236.000 in 2006 → € 451.000 in 2024). De onderste lijn is de mediaan van het vermogen exclusief de eigen woning, gemeten over alle huishoudens; wie werkelijk geen huis bezit, zit daar doorgaans nog ruim onder. De deler is de gemiddelde transactieprijs van verkochte woningen; met een kwaliteitsconstante prijsindex is de daling van de onderste lijn ongeveer half zo groot, de richting blijft gelijk.

Bang dat dit gewoon inflatie is? Juist niet. Je meet hier in huizen, niet in euro's, en een huis is een echt ding. De geldontwaarding zit er dus al uit. Dat de onderste lijn al achttien jaar plat ligt, is geen boekhoudtruc, maar stilstand.

En de woning was niet eens de hardste stijger. De bv's, waar het vermogen van de top in zit, groeiden nog een flink stuk harder: ×3,6 tegen ×2,1 voor het huis. Tegenover het bezit dat de top écht rijk maakte, valt de spaarpot van het midden dus nóg verder terug.

Verdieping: hoe zat het vroeger eigenlijk? drie generaties statistiek, één beeld: de top-10% bezit al dertig jaar ruim de helft; en de eeuw ervoor: een lange daling die rond 1980 stopte

De vermogensstatistiek is sinds de jaren negentig twee keer opnieuw opgezet, met andere bronnen en definities. De niveaus van die drie generaties zijn dus niet precies te vergelijken, maar het beeld is telkens hetzelfde. Sinds 1993 zakte het aandeel van de rijkste 10% in geen enkel gemeten jaar onder de 55%.

De uitschieter is de eurocrisis. Die raakte het midden veel harder dan de top, en het aandeel liep op naar 71%. Herstelden de huizenprijzen, dan groeide het midden weer mee en zakte het aandeel terug. De daling van de laatste tien jaar is dus een terugkeer naar het oude normaal, geen nieuwe gelijkheid.

De lange lijn: het aandeel van de top-10% sinds 1993

Percentage van het totale huishoudvermogen · drie generaties vermogensstatistiek

Bronnen: CBS 37860gvh (1993-2000, maat "vermogensaandeel", hoogste 10%-groep), CBS 80048ned (2002-2011, tot de methodewijziging van die reeks), CBS 84476NED (2011-2024) en eigen berekening 2006-2010 uit CBS 83834NED. In 2001 is er geen statistiek (belastingherziening 2001). Elke generatie meet net anders; de overlap 2006-2011 toont het definitieverschil.

Verder terug houdt de CBS-statistiek op, maar uit belastingaangiften bestaat wél een reconstructie, van 1894 tot 2019. Die meet een lange U-bocht. Rond 1900 bezat de top-1% zo'n 55% van al het private vermogen. Vanaf de Eerste Wereldoorlog daalde dat zestig jaar lang, tot zo'n 15% in de jaren zeventig. En sinds de jaren tachtig loopt het weer op, naar ruim 35% in 2015.

Een oudere reconstructie uit dezelfde belastingbron komt voor 1974 op 28% uit: het niveau hangt af van de methode, de richting niet. Meng die cijfers niet met de reeksen hierboven, want dit is een andere methode, zonder pensioen, en juist aan de top onzeker. Maar om de richting kom je niet heen: zestig jaar werd de verdeling gelijker, en rond 1980 hield dat op.

Wáárdoor het ophield, valt niet te bewijzen, maar de spelregels draaiden intussen mee. Inkomsten uit vermogen werden tot 2001 progressief belast, met een toptarief van 70,5%. Daarna werd het vlak. De jaarlijkse vermogensbelasting verdween, en de winstbelasting voor bedrijven werd bijna gehalveerd.

De spaarrente stond begin jaren tachtig nog op ruim 6% en zakte later naar nul. Tussen 1980 en 2010 draaide zo ongeveer elke knop dezelfde kant op: bezit houden werd goedkoper, sparen uit loon leverde bijna niets meer op. Pas de laatste jaren draaien er een paar terug, met een box 3 die weer omhoogging en een spaarrente die deels herstelt. Maar de vermogens waren toen al uitgelopen.

Tegelijk werd de instap duurder. Sinds 1995 ging de prijs van een gemiddelde koopwoning maal 4,8, terwijl de lonen maal ruim 2 gingen. In uren werk kost hetzelfde huis dus ruim twee keer zoveel. En wie vóór die prijsexplosie kocht, staat er nu het hoogst op.

Het vermogen zakt intussen maar mondjesmaat naar beneden. Wat er wordt nagelaten, verdubbelde sinds 2007 in euro's, maar bleef een schamel deel van het totaal. En de schenkingen piekten telkens rond de jubelton, vlak voordat die werd afgebouwd.

Je zou die vlakke lijn ook als geruststelling kunnen lezen: blijkbaar was het altijd al zo. Maar kijk wat de lijn wél en niet zegt. Hij zegt dat de top een vast deel houdt, zeg de helft. Hij zegt niet hoe hoog de berg zelf is. En die werd sinds 2006 ruim twee keer zo hoog. Dus dezelfde helft, in euro's ruim twee keer zoveel.

Deels is dat inflatie, natuurlijk: geld werd minder waard, dus alles telt in meer euro's. Maar niet alleen. Haal de inflatie eruit, en de berg groeide nog steeds fors, en de afstand met hem. Ook in de koopkracht van 2024 is de kloof groter dan vóór corona. Het aandeel staat stil; de afstand groeit, ook echt. Wat dat betekent, lees je in het slot.

De herkomst

Waar komt het geld van de top vandaan?

De top werd niet rijk van het eigen woonhuis. Wel van bedrijven, soms bedrijven vol huizen. Volg je het geld, dan lopen er vier stromen van onder naar boven.

Wil je weten waar dat geld vandaan komt, kijk dan eerst waar het in zit. Van de bezittingen van de top-1% is amper 12% de eigen woning. Ruim de helft is aanmerkelijk belang, oftewel de eigen bv. De top is geen huizenverhaal. Het is een bedrijvenverhaal.

Toch bezitten die bedrijven zelf wel degelijk stenen. Bv's en nv's houden ruim 400.000 huurwoningen aan, samen zo'n € 110 tot 130 miljard waard. Dat is grofweg een vijfde tot een kwart van de hele bv-berg. De top werd niet rijk van het eigen huis, wel deels van dat van een ander.

En het gedrag past erbij. Sinds 2019 loste de top hypotheken af, maar de andere schulden groeiden met een kwart: lenen om te beleggen, niet om te wonen. Geef je een miljoen per jaar uit en komt er elk jaar een miljoen bij, wat doe je met dat tweede miljoen? Opmaken, of herbeleggen. Vermogen dat niet op raakt, groeit vanzelf door.

De balans van een top-1%-huishouden

Gemiddelde bezittingen (boven) en schulden (onder), × € 1.000 per huishouden

Bron: CBS-vermogensstatistiek (visualisatie bij StatLine 83834NED). Aanmerkelijk belang is gewaardeerd op fiscale boekwaarde; de werkelijke marktwaarde ligt vermoedelijk hoger. De jaartotalen zijn gevalideerd tegen StatLine 84476NED; de uitsplitsing naar bestanddelen is alleen via deze bron beschikbaar.

Sinds 2019 kwam er ruim duizend miljard euro bij. Daarvan landde € 479 miljard bij de top-10%, een tiende van de huishoudens. Bijna de helft van de aanwas, naar een tiende van het land. Die groei moet ergens vandaan komen. Hard narekenen kan niet, maar vier geldstromen zijn aan te wijzen, en ze lopen allemaal dezelfde kant op.

De huur. Nederland telt bijna 1,2 miljoen private huurwoningen, ruim 400.000 daarvan van bv's en nv's. Wie huurt, schuift elke maand een stuk inkomen door naar een bezitter. En het huis stijgt ondertussen gewoon in waarde, alleen op andermans balans.

De huizenprijs. Wie in 2024 een huis koopt, betaalt zo'n 11% meer dan lonen en rente historisch dragen. Dat gat vul je met spaargeld, een schenking of extra schuld. Het komt terecht bij wie verkoopt of al bezat.

De rente. Ruim vier miljoen huishoudens torsen een schuld buiten hypotheek en studielening: rood staan, een persoonlijke lening, een belastingschuld. Samen € 179 miljard. De rente daarover stroomt van de schuldenaars naar wie het schuldpapier bezit.

De inflatie. In vijf jaar stegen de prijzen 23%. Wie spaarde, raakte zo bijna een vijfde koopkracht kwijt, over € 444 miljard aan spaargeld. Wie bezit, zag zijn stenen, aandelen en bv's netjes meestijgen.

Vier stromen, één richting: van wie betaalt naar wie bezit. Of ze samen die duizend miljard verklaren, valt met deze cijfers niet te bewijzen, en dat wordt ook niet beweerd. Maar tel ze op, en je snapt waarom de berg juist bovenaan het hardst aandikt.

Verdieping: komt het geld van de top misschien van de overheid? in Nederland niet, de staat werd zelf rijker; elders is die vraag urgenter

Het populaire verhaal wil dat de staat leegloopt naar de rijken: oplopende schuld, rente die naar vermogenden vloeit. In Nederland gebeurde sinds corona het omgekeerde. De schuld steeg in euro's, maar de economie en de inflatie groeiden harder. De schuldquote zakte van 47,7% naar 44% van het bbp, en het netto vermogen van de staat, alles wat ze bezit minus wat ze schuldig is, klom van € 255 naar € 400 miljard.

Een begrotingsprestatie is het alleen niet. In 2020 tot en met 2024 stond er opgeteld ruim € 60 miljard tekort in de boeken. De winst zit in de herwaardering: de wegen, waterwerken en gebouwen op de staatsbalans werden meer waard, met de bouwkosten mee. Ook de staat is dus vooral een stenenbezitter, en ook zijn winst is grotendeels papier. Een dijk verkoop je niet.

De Nederlandse staat: schuld en vermogen

Links: EMU-schuld als percentage van het bbp. Rechts: netto vermogen van de overheid, miljarden euro's.

Bron: CBS StatLine 85968NED (schuldquote) en 84422NED (overheidsbalans). Crisisjaren 2008–2013: bankenreddingen en tekorten; sinds 2021 herstel door inflatie en groei.

Ook de route via de rente loopt hier dood. Huishoudens bezitten 0,3% van de eigen staatsschuld. De rest ligt bij het buitenland (44%), banken inclusief DNB (37%) en verzekeraars en pensioenfondsen (16%), dat laatste het collectieve spaargeld van gewone werknemers. En de rentestroom zelf stelt weinig voor: € 7,9 miljard in 2024, zo'n 1,6% over de schuld.

Buiten Nederland ligt dat anders. Frankrijk hield vrijwel de hele coronaschuld vast en zit op 113% van het bbp, Italië op 135%, de eurozone gemiddeld op 87%. Daar is de vraag wie de rente op die berg opstrijkt een stuk urgenter.

Overheidsschuld in Europa

Geconsolideerde brutoschuld als percentage van het bbp

Bron: Eurostat (gov_10dd_edpt1). Eurostat dissemineert sinds Brexit geen VK-cijfers meer (het VK publiceert zelf via de ONS). De Nederlandse lijn (43,8% in 2024) wijkt marginaal af van het CBS-cijfer hierboven (44,0%) door een andere bbp-raming.
Slot

De balans

Wie krijgt de vermogensberg? Wie er al hoog op staat. Een huis geeft je een plek op de berg. De top staat er al, en loopt in euro's steeds verder weg.

Tel het op. De waardestijging van de huizen landde bij wie er al een had. Ruim de helft van de topvermogens zit niet in het eigen huis, maar in bv's.

Haal het eigen huis uit de cijfers, en het verschil springt eruit. Van al het vermogen dat dan overblijft, heeft de top-10% al veertien jaar rond de 78% in handen. Dat deel groeide keihard door, want het zit in bv's, de snelste stijger van allemaal. En wat de meeste mensen buiten hun huis hebben? Spaargeld, dat al jaren zo goed als stilstaat.

Wie zelf een zaak heeft, werpt nu tegen: die bv-waarde is toch óók papier? Klopt, deels. Maar een bv keert uit wanneer het de eigenaar uitkomt, en zit vaak vol belegd vermogen en ruim vierhonderdduizend huurwoningen. De overwaarde van je huis keert niets uit, en wie haar verzilvert, koopt terug in diezelfde dure markt.

De tweede tegenwerping is ouder: was het vroeger dan niet net zo? Voor de kale verdeling klopt dat: de top-10% heeft al ruim dertig jaar de helft. Maar drie dingen zijn wél veranderd.

De berg werd veel groter, van € 1.146 miljard in 2006 naar € 2.754 miljard nu. Hetzelfde aandeel van een grotere som is elk jaar meer afstand in euro's, en ook in echte koopkracht. De groei zat in de waarde van wat er al stond, en die landt bij wie al bezit. En de instap werd fors duurder: een koopwoning kost in uren loon inmiddels ruim twee keer zoveel als in 1995.

De verdeling is dus oud nieuws. Nieuw is iets anders. Je plek op de berg hangt steeds minder af van wat je verdient, en steeds meer van wat je al bezit.

En alles wat je hier zag, is eerder onder- dan overschat. De statistiek zet bv's op fiscale boekwaarde en verliest de allerrijksten binnen de top-0,1% uit het oog. Juist boven aan de berg is de meetlat het kortst. Reken maar dat de berg nog schever ligt dan je hier ziet.

Verantwoording

  • Aanleiding. Deze analyse begon als toets van de these van de Britse oud-trader Gary Stevenson (de ongelijkheid groeit onhoudbaar; de top koopt alles op, het midden en de overheid teren in). Zijn claims zijn stuk voor stuk tegen de Nederlandse cijfers gelegd; de uitkomsten zijn in dit verhaal verwerkt.
  • Vermogensbegrip. CBS meet bezittingen minus schulden per 1 januari, exclusief opgebouwd pensioen- en aow-vermogen. Met pensioen zou vooral het midden er vermogender uitzien.
  • Aanmerkelijk belang is gewaardeerd op fiscale boekwaarde; de marktwaarde van bv-vermogen ligt vermoedelijk hoger. De top wordt dus eerder onder- dan overschat.
  • 2024 is voorlopig; op meerdere reeksen (top-1%, reële kloof) was 2023 het piekjaar. Reeksbreuk: vanaf 2011 neemt het CBS kleine bank- en spaartegoeden, beursbeleggingen en meer schuldsoorten vollediger waar; medianen en aantallen huishoudens met schuld zijn voor en na 2011 niet volledig vergelijkbaar; de groei van de leeftijdsmedianen in de verdieping over vroeger is daarom vanaf 2011 gerekend.
  • Historische reconstructie (vóór 1993). De cijfers over de periode 1894-1993 komen uit reconstructies op basis van vermogensbelastingaangiften (De Vicq, Toussaint, Van der Valk en Moatsos in ESB, 2022; Wilterdink, 1984). Andere methode en populatie dan de CBS-reeksen en zonder pensioenvermogen: de niveaus zijn niet vergelijkbaar met de rest van dit verhaal, de richting wel. Het laatst gepubliceerde niveau van de moderne reeks is dat van 2015.
  • Belastingtarieven. Toptarieven inkomstenbelasting uit CPB, "Meer over de top" (70,5% in 1960; 72% eind jaren tachtig; Oort 1990 naar 60%; 2001 naar 52%); vermogensbelasting en box 3 uit de bijlage bij de box 3-herziening (2015); het vpb-verloop (47% tot 1984, 35% vanaf 1989, 25,8% sinds 2022) herleidt tot Staatsblad 1975/580, 1988/458 en 2006/631; actuele tarieven: Belastingdienst.
  • Nalatenschappen en schenkingen (CBS 84242NED en 84465NED): de nalatenschapscijfers tot en met 2016 zijn niet geheel vergelijkbaar met latere jaren (andere aanlevering van brongegevens) en 2023 is voorlopig; de schenkingenstatistiek telt alleen schenkingen waarvoor aangifte is gedaan.
  • Projectie 2025–2034 is een gedachte-experiment, geen voorspelling: alle groepen groeien uniform met 4,3% per jaar (het samengestelde tempo van 2006–2024), en de reële kloof vervolgt haar eigen historische tempo van 1,9% per jaar; elke stippellijn gebruikt dus dezelfde methode en eenheid als zijn dichte lijn. De onderste 30% (als groep een negatief vermogen) is vlak gehouden, omdat procentuele groei daar niet betekenisvol is.
  • Vastgoed in bv's is een bruto-ordegrootte: 407.000 huurwoningen van bv's en nv's maal de gemiddelde WOZ-waarde van private huurwoningen (CBS 86286NED en 85036NED). Gerekend is met de gemiddelde WOZ van private huurwoningen (€ 324.000, ruim onder die van koopwoningen); bruto komt dat op € 132 miljard. Omdat de WOZ-mix van bv-bezit binnen de private huur onbekend is en vermoedelijk onder het gemiddelde ligt, hanteren we een bandbreedte van € 110 tot 130 miljard. Niet al die vennootschappen zijn aanmerkelijk belang van Nederlandse huishoudens, tegenover het vastgoed staat schuld in de bv, en de fiscale boekwaardering dempt hoe woningprijsstijgingen doorwerken in de gemeten AB-reeks.
  • Inflatiecorrectie op basis van de CPI (cumulatief +52% over 2006–2024, +23% over 2019–2024).

Bronnen: CBS 83834NED (vermogens naar kenmerk en bestanddeel) · CBS 83835NED (huishoudens naar vermogensklasse) · CBS 37860gvh (vermogensaandelen 1993-2000) · CBS 80048ned (vermogens 2002-2011, oude reeks) · CBS 84476NED (ongelijkheid, top-aandelen, Gini) · CBS 85968NED (overheidsfinanciën) · CBS 84422NED (overheidsbalans) · CBS 84119NED (houders staatsschuld) · CBS 83131NED (CPI) · CBS 83625NED (verkoopprijzen koopwoningen) · CBS 85773NED (prijsindex koopwoningen) · CBS 82235NED (woningvoorraad) · CBS 82900/86286NED (woningvoorraad naar eigendom) · CBS 85036NED (WOZ-waarde naar eigendom) · CBS 82838/85663NED (cao-lonen) · CBS 84242NED (nalatenschappen) · CBS 84465NED (schenkingen) · De Vicq e.a., ESB (2022) (reconstructie vermogensongelijkheid 1894-2019) · Wilterdink (1984) (vermogensverhoudingen 1894-1974) · Bijlage A herziening box 3 (2015) (vermogensbelasting, spaarrente) · Kosten Koper (2013) (hypotheekverruiming) · CPB, Meer over de top (toptarieven inkomstenbelasting) · Belastingdienst (actuele tarieven vpb en box 3) · ECB MIR-statistiek (rente nieuwe hypotheekcontracten en spaarrente huishoudens, Nederland) · Eurostat gov_10dd_edpt1 (schuldquotes EU).

Geschreven door Michel van der Smissen · Alle cijfers herleidbaar tot openbare bronnen
Bij het maken van deze analyse is AI gebruikt